Er zijn situaties denkbaar waarin de schadeloosstelling, of een deel daarvan, wordt uitgekeerd voor geleden immateriële schade. De werknemer vindt bijvoorbeeld dat hij is aangetast in zijn goede naam en eer. Dat deel van de schadevergoeding, het smartengeld, kan in beginsel onbelast worden uitgekeerd. De Belastingdienst stelt in dit soort situaties bijna altijd dat wel sprake is van een belaste schadeloosstelling. Uit de fiscale jurisprudentie kunnen de volgende conclusies getrokken worden:
- door de werknemer c.q. werkgever moet aannemelijk worden gemaakt dat de werkgever – bijvoorbeeld wegens een onrechtmatige werkgeversdaad – zich genoopt zag een immateriële schadevergoeding toe te kennen;
- tevens geldt dat de schadevergoeding niet haar oorsprong mag vinden in de dienstbetrekking;
- de rechter stelt zelf in redelijkheid vast wat de vergoeding voor immateriële schade is en is dus niet gebonden aan wat partijen zijn overeengekomen;
- de fiscale rechter is tevens niet gebonden aan het vonnis van de civiele kantonrechter voor wat betreft de vastgestelde omvang van de immateriële schade;
- slechts in uitzonderingsgevallen is er sprake van een onbelaste immateriële schadevergoeding.