Ja. Als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB, dan behoort de aanspraak niet tot het loon en kan de vrijstelling worden toegepast. Bestaat er bij de (ex-)werkgever dan wel de (ex-)werknemer behoefte aan zekerheid vooraf omtrent de toepassing van de stamrechtvrijstelling, bijvoorbeeld in een ontslagsituatie in verband met slechte verhoudingen tussen partijen, dan is het mogelijk de competente inspecteur van de (ex-)werkgever te verzoeken die zekerheid te geven. Een dergelijk verzoek aan de inspecteur dient te zijn voorzien van alle relevante bescheiden, zoals bijvoorbeeld de volledige (concept)stamrechtovereenkomst.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 1 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtvrijstelling - Toestemming vooraf van de inspecteur (Vraag & Antwoord 08-018 d.d. 110209)
De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 maart 1987, nr. 24 339, BNB 1987/215 beslist dat een stamrecht niet is vrijgesteld wanneer het stamrecht voorziet in andere opbrengsten dan uitsluitend periodieke uitkeringen. Dat houdt in dat de vrijstelling niet van toepassing is wanneer in de stamrechtovereenkomst een afkoopmogelijkheid is opgenomen.
Als in de algemene voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst een afkoopmogelijkheid is opgenomen, dan dient deze afkoopmogelijkheid op de polis of in de bijzondere voorwaarden te zijn uitgesloten. In de stamrechtovereenkomst mag dus geen afkoopmogelijkheid zijn opgenomen, een expliciet verbod op afkoop is niet noodzakelijk.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 2 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002)
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Afkoopverbod (Vraag & Antwoord 08-019 d.d. 110209)
De termijnen uit een stamrecht moeten periodieke uitkeringen zijn, er hoeft geen sprake te zijn van een lijfrente. Om van een periodieke uitkering te kunnen spreken hoeven de termijnen, anders dan bij een lijfrente, niet vast en gelijkmatig te zijn. Het ontmoet dan ook geen bezwaar wanneer bij het ingaan van de termijnen wordt vastgesteld dat de termijnen wijzigen op basis van te verwachten sociale uitkeringen. Deze wijziging van de termijnen dient bij het ingaan van de termijnen in een vast bedrag te zijn vastgesteld. Bijvoorbeeld kan worden opgenomen dat de eerste 3 jaren de termijnen € 6.800 bedragen en dat na 3 jaar, omdat er dan geen recht meer bestaat op een WW-uitkering, de termijnen € 11.000 zullen gaan bedragen. Niet als een periodieke uitkering wordt aangemerkt een uitkering waarvan de hoogte afhankelijk is van het overige inkomen en dus dient als aanvulling op het inkomen tot een vooraf vastgesteld bedrag. Bijvoorbeeld is niet toegestaan een aanspraak op periodieke uitkeringen die voorziet in een aanvulling op het in enige jaar genoten inkomen tot € 50.000 per jaar.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 3 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002)
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Variabele termijnen (Vraag & Antwoord 08-020 d.d. 110209)
In beide gevallen bestaat het toegekende stamrecht voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB uit twee periodieke uitkeringen. Eén die toekomt aan A en één die toekomt aan B. Beide periodieke uitkeringen moeten afhankelijk zijn van een sterftekans van minimaal 0,94%. De sterftekans dient voor beide periodieke uitkeringen te worden bepaald over de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2012, uitgaande van de meest recente sterftetabellen. Dat de periodieke uitkering die toekomt aan de partner pas ingaat bij het overlijden van A kan voor de bepaling van de sterftekans buiten beschouwing blijven.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 4 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Stamrechtovereenkomst - Bepalen sterftekans periodieke uitkering op twee levens (Vraag & Antwoord 08-021 d.d. 110209)
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Wanneer sprake is van vertraagd uitbetaald loon en de (ex-)werkgever een verhoging ex artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek uitbetaalt, behoort die verhoging op grond van het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1978, nr. 18 592, BNB 1978/255, tot het loon. Op grond van dat zelfde arrest kan die vergoeding niet worden aangemerkt als een vergoeding ter vervanging van te derven inkomsten. De vergoeding mag daarom geen deel uitmaken van het stamrecht.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 7 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Rentevergoeding bij te late betaling ontslaguitkering (Vraag & Antwoord 08-022 d.d. 110209)
In de geschetste situatie blijft het mogelijk dat werkgever en werknemer overeen komen dat de ontslagvergoeding wordt uitgekeerd in de vorm van een stamrecht. De stamrechtvrijstelling is dan toepasbaar. Voorwaarde is wel dat de werkgever de afkoopsom rechtstreeks stort bij een verzekeraar of op een geblokkeerde derdenrekening bij een advocaat of notaris.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 8 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Een door de rechter toegekende ontslagvergoeding (Vraag & Antwoord 08-023 d.d. 110209)
In artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB wordt een aanspraak op een periodieke uitkering ter vervanging van te gederfd of te derven loon onder voorwaarden vrijgesteld. Van een aanspraak is in beginsel geen sprake wanneer de werkgever uitsluitend een bedrag ter beschikking stelt waarover de werknemer vrij kan beschikken, bijvoorbeeld voor de aankoop van een stamrecht. Dat de werkgever een aanspraak heeft toegekend kan minimaal blijken uit het feit dat de werkgever de ontslagvergoeding rechtstreeks stort bij een verzekeraar of op een geblokkeerde derdenrekening van een notaris of advocaat ter aankoop van een stamrecht.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 9 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Ontslagvergoeding in de vorm van een uitkering ineens (Vraag & Antwoord 08-024 d.d. 110209)
In een stamrecht van voor 1 januari 1995, gebaseerd op artikel 11, eerste lid, onderdeel d, Wet LB (tekst 1994) hoeft geen uiterste ingangsdatum van de periodieke uitkeringen te zijn opgenomen. Bij een stamrecht van na 1 januari 1995, waarop artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB van toepassing is, moet in de polis te zijn opgenomen dat de periodieke uitkeringen uiterlijk dienen in te gaan in het jaar waarin de werknemer de leeftijd van 65 jaar bereikt, dan wel bij zijn eerdere overlijden.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 13 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Ingangsdatum periodieke uitkering in polis (Vraag & Antwoord 08-025 d.d. 110209)
Het stamrecht moet aansluiten bij de omstandigheden van het moment waarop het wordt toegekend. Een alleenstaande werknemer, zonder kinderen kan dus alleen een stamrecht bedingen met zichzelf als begunstigde. Krijgt deze werknemer later alsnog een partner of kinderen, dan kan het stamrecht worden omgezet in een stamrecht waarbij de partner en/of de kinderen als begunstigden worden opgenomen.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 14 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - (Toekomstige) echtgenoot, partner of kinderen (Vraag & Antwoord 08-026 d.d. 110209)
Nee. Een recht waarbij uitkeringen kunnen toekomen aan personen buiten de in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, ten eerste, van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde kring van begunstigden, valt niet onder de stamrechtvrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 15 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Slotbegunstiging (Vraag & Antwoord 08-027 d.d. 110209)
Een stamrecht mag er slechts toe leiden dat uitkeringen worden gedaan aan personen binnen de in de wet genoemde kring van begunstigden. Het is wel toegestaan dat de (ex-) werkgever als slotbegunstigde in de polis wordt opgenomen. Uitkeringen die nog worden gedaan wanneer van de eerder genoemde begunstigden niemand meer in leven is komen dan aan hem toe. Het recht op deze uitkeringen maakt geen deel uit van de door de werkgever aan de werknemer toegekende aanspraak. Gevolg daarvan is dat de premie die hiervoor wordt betaald geen deel uitmaakt van de koopsom voor het stamrecht en dat een eventuele uitbetaling aan de (ex)werkgever niet tot het loon behoort.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 16 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002)
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Slotbegunstiging (ex)werkgever (Vraag & Antwoord 08-028 d.d. 110209)
Nee, een contraverzekering is geen verzekering die is aan te merken als een stamrecht in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB. De premie dient daarom uit de privé-middelen van de werknemer te worden voldaan. Betaalt de werkgever de premie voor de contraverzekering, dan behoort die premie tot het (te bruteren) loon van de werknemer.
De premie voor de contraverzekering, zoals die voor rekening van de werknemer komt, moet zodanig zijn bepaald, dat deze overeenkomt met de premie voor een zelfstandig te sluiten verzekering bij overlijden. Deze premie mag niet worden beïnvloed door de gesloten stamrechtovereenkomst. Bij het bepalen van de premie dient met name rekening te worden gehouden met de gezondheidssituatie van de verzekerde(n).
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 18 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Contraverzekering (Vraag & Antwoord 08-029 d.d. 110209)
Nee, artikel 19a, tweede lid, Wet LB is alleen van toepassing als het gaat om het verzekeren van een pensioen.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 19 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002)
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Verzekeraar stamrecht, Pensioenwet (Vraag & Antwoord 08-030 d.d. 110209)
Ja.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 20 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Verzekeraar stamrecht, drijven onderneming (Vraag & Antwoord 08-031 d.d. 110209)
Neen. Wel is het zakelijke karakter van de transacties door een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, Wet LB een belangrijk aandachtspunt. In het bijzonder wanneer de verzekeraar transacties aangaat met (familieleden van) een aandeelhouder of stamrechtgerechtigde(n). Voorkomen moet worden dat deze transacties er toe leiden dat het stamrecht feitelijk wordt genoten.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 21 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Verzekeraar stamrecht, beleggingseisen (Vraag & Antwoord 08-032 d.d. 110209)
Ja, een reeds ingegaan stamrecht kan ook fiscaal geruisloos worden omgezet in een nieuw stamrecht. Aan de omzetting van een reeds ingegaan stamrecht in een nieuw stamrecht is wel een beperking verbonden. Het nieuwe stamrecht moet een stamrecht zijn dat, bezien vanuit de werknemer aan wie het stamrecht oorspronkelijk werd toegekend, voldoet aan de voorwaarden van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB. Zo kan bijvoorbeeld een reeds ingegaan stamrecht voor een nabestaande niet worden omgezet in een uitgesteld stamrecht. Deze beperking geldt ook bij de overgang van het stamrecht naar een andere verzekeraar als bedoeld in artikel 19b, tweede lid, Wet LB, in samenhang met artikel 19b, zesde lid, Wet LB.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 22 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Omzetting ingegane stamrechten (Vraag & Antwoord 08-033 d.d. 110209)
Nee. Ingevolge het bepaalde in artikel 19b, derde lid, Wet LB, in samenhang met het zesde lid van dat artikel, leidt de vervreemding of omzetting van een stamrecht in het kader van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of beëindiging van de samenleving niet tot belastingheffing. Voor de heffing van loonbelasting wordt er vanuit gegaan dat geen nieuw recht is ontstaan, maar dat de aan de (ex-) echtgenote toegedeelde helft een voortzetting is van het recht zoals dat eerder aan haar echtgenoot is toegekende. Als gevolg hiervan wordt de (ex-) echtgenote na de verdeling van het stamrecht voor de aan haar toegedeelde helft aangemerkt als ‘de werknemer’.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 24 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002)
Artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Echtscheiding, verdeling stamrecht (Vraag & Antwoord 08-034 d.d. 110209)
Nee. In artikel 11, eerste lid, onderdeel d, Wet LB (tekst 1994) zijn geen voorwaarden genoemd met betrekking tot de personen die als begunstigden voor de periodieke uitkering kunnen worden aangewezen.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 17 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).
Artikel 11 en artikel 37 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, en artikel 37 Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Slotbegunstiging stamrechten van voor 1 januari 1995 (Vraag & Antwoord 08-035 d.d. 110209)
Neen. Ook bij de omzetting van stamrechten van voor 1 januari 1995 geldt dat het nieuwe stamrecht moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB. De eerbiedigende werking van artikel 37, Wet LB geldt alleen voor bestaande aanspraken. Door de omzetting ontstaat een nieuwe aanspraak. Niet als een nieuwe aanspraak wordt aangemerkt het direct ingaande stamrecht dat wordt bedongen bij de expiratie van de gerichte periodieke uitkering, mits dit nieuwe stamrecht overeenstemt met hetgeen in de stamrechtovereenkomst was toegezegd.
De inhoud van dit Vraag en Antwoord was eerder opgenomen in onderdeel 23 van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002)
Artikel 11 en artikel 37 Wet op de loonbelasting 1964
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, en artikel 37 Wet op de loonbelasting 1964
Stamrechtovereenkomst - Omzetting stamrecht van voor 1 januari 1995 (Vraag & Antwoord 08-036 d.d. 110209)