Logo GoudenHanddruk Adviseurs.nl - specialisten op het gebied van gouden handdrukken

Nieuws Gouden Handdruk

20 augustus 2010

Geen vrijstelling erfbelasting bij overlijden voor Stamrecht BV

Indien kinderen een aandelenpakket erven in een stamrecht BV of pensioen BV moet daar  erfbelasting over worden betaald. De vrijstelling voor erfbelasting,  de zogenaamde bedrijfsopvolgingsfaciliteit, geldt alleen voor stamrecht BV’s die ondernemingsactiviteiten uitvoeren en niet voor BV’s die alleen beleggen.

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit  betekent vrijstelling voor erfbelasting

Indien een kind een onderneming erft, kan onder bepaalde voorwaarden de waarde vrijgesteld zijn van erfbelasting. Bedrijven met een waarde tot  € 1 miljoen zijn voor 100 procent vrijgesteld, daarboven geldt een vrijstelling van 83 procent. De Hoge Raad besloot onlangs dat de stamrecht BV geen gebruik kan maken van deze vrijstelling omdat de stamrecht BV in veel gevallen geen ondernemersactiviteiten uitvoert. Dit onderwerp was onlangs insteek van een rechtszaak.

Hoge Raad ziet stamrecht BV niet als materiële onderneming

In deze rechtszaak erfde een vrouw het restdeel van de stamrecht/ pensioen BV van haar vader. Zij was zelf al 50 procent eigenaresse van de BV. Deze BV bestond uit een aan een ander verhuurd pand, een pensioenverplichting en een stamrecht verplichting. De vrouw deed beroep op de  bedrijfsopvolgingsfaciliteit, maar de inspecteur was het daar niet mee eens. Volgens hem drijft de BV geen onderneming. Zowel de verhuur van het pand als de verplichtingen van het pensioen en het  stamrecht gaan niet uit boven normaal vermogensbeheer. De rechter stelde de inspecteur in het gelijk. De vrouw stelt vervolgens in hoger beroep dat de rechter niet de moeite heeft genomen om met een activiteitentoets te controleren of er daadwerkelijk ondernemersactiviteiten plaatsvinden. De Hoge Raad oordeelt dat de activiteitentoets terecht niet is uitgevoerd omdat de BV geen materiële onderneming drijft. De dochter betaalt waarschijnlijk 10 % en 20 % erfbelasting over de waarde van de BV.

20 augustus 2010

In stamrecht-BV ondergebrachte ontslaguitkering kan onder verrekenbeding huwelijkse voorwaarden vallen

Een stamrecht is een recht op toekomstige periodieke uitkeringen. Het wordt in de praktijk onder meer gebruikt om een ontslagvergoeding in de tijd uit te smeren. Onder voorwaarden is op grond van de stamrechtvrijstelling niet het stamrecht zelf belast maar de daaruit voortvloeiende uitkeringen. De stamrechtvrijstelling is onder meer van toepassing als het stamrecht voldoet aan de wettelijke voorwaarde dat het stamrecht dient ter vervanging van gederfd of te derven loon. De uitvoering van stamrechten -waarbij de aanspraken op een stamrecht vrijgesteld zijn en de uitkeringen belast- is strikt beperkt tot een bepaalde kring van toegelaten verzekeraars. De wettelijke regeling voor stamrechten wijst voor de kring van toegelaten verzekeraars grotendeels naar de toegelaten verzekeraars van pensioenen. Tot de toegelaten verzekeraars van stamrechten behoren:

  • een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenfonds;
  • een professionele verzekeringsmaatschappij;
  • een eigen stamrecht-BV;
  • de (gewezen) werkgever - natuurlijk persoon.

Het is onder voorwaarden ook mogelijk om de ontslaguitkering in een eigen stamrecht-BV onder te brengen. Dit heeft als voordeel dat het bruto bedrag van de eenmalige uitkering in de BV beschikbaar komt voor bijvoorbeeld de financiering van een nieuwe onderneming van de ontslagen werknemer. Bij overdracht aan een stamrecht-BV is de uitkering in fiscale zin niet genoten, civielrechtelijk kan dat anders liggen. Illustratief hierbij is een uitspraak van de civiele kamer van Hof Den Haag. De uitspraak betrof de vermogensrechtelijke afwikkeling van een in 2008 ontbonden huwelijk dat onder huwelijkse voorwaarden was gesloten.
 
Het hof moest zich uitspreken over de vraag of de in 2004 in een stamrecht-BV ondergebrachte ontslaguitkering moest worden aangemerkt als netto-inkomen dat volgens de overeengekomen huwelijkse voorwaarden in de verrekening moest worden betrokken. De huwelijkse voorwaarden bevatten onder meer de volgende passages: Onder netto-inkomen wordt in deze akte verstaan het belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet Inkomstenbelasting 1964, verminderd met de daarover verschuldigde inkomstenbelasting. Indien en voor zover een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefend bedrijf hem rechtstreeks of onmiddellijk ten goede komen, worden die winsten geacht door hem te zijn genoten en worden zij na aftrek van hetgeen verschuldigd zou zijn aan inkomstenbelasting gerekend tot het netto-inkomen.

Het hof stelde vast dat de werkgever van de man de uitkering had gedaan tijdens het huwelijk. Indien de man de uitkering door zijn werkgever niet had laten storten in een door hem opgerichte stamrecht-BV en hij de uitkering direct had genoten, was er sprake geweest van inkomen in de zin van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964. Het hof was op basis van redelijke uitleg van de betreffende huwelijkse voorwaarden van oordeel dat de in de stamrecht-BV ondergebrachte ontslaguitkering kwalificeerde als netto-inkomen. De waarde van de aandelen van de stamrecht-BV op 1 februari 2004 (kennelijk de datum waarop de ontslaguitkering werd ontvangen) moet daarom in de verrekening worden betrokken. Daarbij moet nog wel rekening worden gehouden met de verplichtingen die de stamrecht-BV heeft tegenover de man en ook met mogelijke fiscale claims. Het hof gaf aan dat een deskundige de waarde van de aandelen op 1 februari 2004 gaat bepalen.

Bron: Hof Den Haag, 9-12-2009, nr. 200.027.151/01 (gepubliceerd 29-6-2010).

22 juli 2010

Door onzakelijkheid lening wordt gouden handdruk geacht te zijn genoten

Hof Den Haag 21 mei 2010, nr. 2009/00471
De arbeidsovereenkomst tussen A en zijn ex-werkgever wordt ontbonden. In verband daarmee wordt een bedrag van € 55.000 gestort op de rekening van stamrecht-BV X. Voordat de stamrechtovereenkomst tussen A en BV X is getekend worden de gelden uit de BV al overgeboekt naar privé-rekeningen van A. In geschil is de vraag of A over de ontslagvergoeding heeft beschikt. BV X stelt zich op het standpunt dat de overboekingen naar privé hebben plaatsgevonden in het kader van een geldlening tussen BV X en A en dat A daarom niet over de ontslagvergoeding heeft beschikt. De inspecteur bestrijdt de stelling dat sprake is van een geldlening, want:

  • er is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt;
  • de rente is niet betaald, maar bijgeboekt in rekening courant; en
  • er zijn geen afspraken gemaakt over zekerheidstelling en aflossing.

Op grond van het bovenstaande meent de inspecteur dat A met de overboekingen de beschikkingsmacht over de gelden heeft gekregen en de ontslagvergoeding daarom in één keer tot zijn inkomen moet worden gerekend. Het hof is het met de inspecteur eens: de feiten wijzen erop dat A voor eigen doeleinden heeft beschikt over de gelden uit BV X.

Belang voor de praktijk
In principe staat het de stamrecht-BV vrij om haar vermogen te beleggen op een naar eigen inzicht te bepalen wijze. In tegenstelling tot de regelgeving zoals die tot ongeveer halverwege de jaren negentig gold, gelden er ten aanzien van het beleggingsbeleid van de stamrecht-BV geen door de fiscus opgelegde beperkingen. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de stamrecht-BV (een deel van) haar geld in de vorm van een persoonlijke lening aan de DGA verstrekt. Wel moet de overeenkomst die aan de geldlening ten grondslag ligt op zakelijke basis bepaald zijn. Zo moeten er zakelijke afspraken worden gemaakt over de rentevergoeding, maar ook over aflossingen en opeisbaarheid om te voorkomen dat de ontslagvergoeding alsnog in één keer tot het belaste inkomen van de DGA wordt gerekend.

4 mei 2010

Redelijke termijn bij expiratie gouden handdrukverzekering of pensioen

Vraag en Antwoord 4 mei 2010, nr. 10-001

Komt een gouden handdrukverzekering of pensioen tot uitkering, dan komt er meestal een kapitaal beschikbaar waarvoor de begunstigde een periodieke uitkering moet aankopen. Deze aankoop moet binnen een redelijke termijn gebeuren. In een Vraag en Antwoord heeft de Kennisgroep pensioenen aangegeven, wat een redelijke termijn is. Er moet daarbij onderscheid worden gemaakt tussen een expiratie bij in leven zijn van de verzekerde/begunstigde en een expiratie bij overlijden van de verzekerde. Expiratie

Redelijke termijn

Bij in leven zijn

Zes maanden na expiratiedatum

Bij overlijden

Twaalf maanden na overlijden

Belang voor de praktijk
Staat op de expiratiedatum al vast, wat de duur en de hoogte van de te ontvangen periodieke uitkeringen is, dan gaat op de expiratiedatum meteen de periodieke uitkering in. Bovenstaande Vraag en Antwoord is dan ook alleen van belang als op de expiratiedatum een kapitaal beschikbaar komt. Binnen zes maanden (bij in leven zijn) of twaalf maanden (bij overlijden) moet de begunstigde beslissen, wat hij met het kapitaal wil doen. Doet hij dit niet, dan wordt de gouden handdruk of het pensioen na afloop van de redelijke termijn geacht te zijn afgekocht. Er is op dat moment belasting verschuldigd volgens het progressieve tarief. Ook is er in beginsel 20% revisierente verschuldigd.
Heeft de begunstigde meer tijd nodig om een keuze te maken, dan kan hij bij de inspecteur verzoeken om in zijn geval de redelijke termijn te verlengen. De begunstigde moet dan wel aantonen, waarom in zijn geval een redelijke termijn van zes of twaalf maanden niet redelijk is.

Als ingangsdatum van de periodieke uitkering geldt de datum waarop de periodieke uitkering is aangekocht. Deze datum kan een half jaar na expiratiedatum liggen.

X heeft een gouden handdrukverzekering afgesloten. Op 1 februari is X 65 geworden. Op 1 december 2010 bereikt zijn gouden handdrukverzekering de expiratiedatum. Omdat X dan 65 is, moet hij de gouden handdrukverzekering laten uitkeren.

Op 1 maart 2011 heeft X besloten wat hij met zijn gouden handdrukverzekering wil doen. Hij koopt een levenslange periodieke uitkering aan. De ingangsdatum van deze periodieke uitkering wordt vastgesteld op 1 maart 2011. X is dan al 66 jaar. Omdat de expiratiedatum van de gouden handdrukverzekering echter lag in het jaar waarin X 65 werd en de redelijke termijn nog niet is verstreken, is dit fiscaal geen probleem.

29 april 2010

Redelijke termijn bij toekennen gouden handdruk

Vraag en Antwoord 29 april 2010, nr. 10-002
Wordt aan een werknemer een gouden handdruk toegekend, dan moet de werknemer kiezen of hij deze gouden handdruk meteen wil genieten, of dat hij de gouden handdruk omzet in een (uitgestelde) periodieke uitkering. Heeft de werknemer eenmaal gekozen voor een (uitgestelde) periodieke uitkering, dan moet hij kiezen waar hij deze (uitgestelde) periodieke uitkering wil onderbrengen. Om deze laatste keuze te kunnen maken, heeft de werknemer tijd nodig. Gedurende deze tijd, staat het geld nog bij de ex-werkgever of op een geblokkeerde rekening bij een verzekeraar of bank.
In een Vraag en Antwoord heeft de Kennisgroep pensioenen aangegeven, wat een redelijke termijn is waarbinnen de werknemer moet beslissen wat hij met het geld wil doen. Deze redelijke termijn is vastgesteld op in ieder geval zes maanden vanaf het moment van toekennen. Kan de werknemer aantonen dat in zijn geval een termijn van zes maanden niet redelijk is, dan kan hij bij de inspecteur verzoeken om de redelijke termijn in zijn geval te verlengen.
Belang voor de praktijk
De werknemer heeft op grond van deze Vraag en Antwoord zes maanden de tijd om een keuze te maken. Heeft de werknemer na deze zes maanden geen keuze gemaakt, dan wordt de gouden handdrukstamrecht op dat moment geacht in een keer te zijn genoten. De werknemer is dan over het gehele bedrag belasting verschuldigd volgens het progressieve tarief. De instelling waar het geld is gestald – dit kan de ex-werkgever zijn, of de verzekeraar of bank waar het geld op een geblokkeerde rekening staat – is hiervoor inhoudingsplichtig.
Bovenstaande geldt ook als de gouden handdruk tijdelijk is ondergebracht op een derdenrekening bij een notaris of advocatenkantoor. Ook in dat geval geldt dus een redelijke termijn van zes maanden. Zijn deze zes maanden verstreken, dan is de notaris of het advocatenkantoor waar de derdenrekening is ondergebracht inhoudingsplichtig voor de verschuldigde belasting.

29 maart 2010

Gouden Handdruk stamrechtbankrekening

Zoals u weet is het vanaf 1 januari 2010 ook mogelijk een ontslagvergoeding rechtstreeks door te boeken naar een (geblokkeerde) stamrechtbankrekening. Lees verder >>

14 januari 2010

Derdengeldrekeningen notarissen onder depositogarantiestelsel

Op Kamervragen van de VVD heeft minister Bos van Financiën geantwoord dat derdengeldrekeningen van notarissen onder het depositogarantiestelsel van De Nederlandse Bank (DNB) vallen. Daardoor is in het geval van een faillissement van de bank het geld van elke derde tot een maximum van 100.000 euro gegarandeerd. Alleen in bijzondere gevallen zou een notaris zelf aansprakelijk kunnen zijn, als bijvoorbeeld al langere tijd bekend was dat de bank in moeilijkheden verkeerde en de notaris het geld elders had kunnen onderbrengen. Naar alle waarschijnlijkheid geldt de depositogarantieregeling van de DNB ook voor de derdengeldrekeningen van advocaten, zo meldt de Nederlandse Orde van Advocaten.

9 december 2009

Schadevergoeding tot verbetering van eer en goede naam was onbelast

Een schadevergoeding die wordt ontvangen van de (voormalige) werkgever, is onder bepaalde omstandigheden onbelast. Dat is onder meer het geval als de vergoeding is toegekend voor het verlies aan arbeidsvermogen van de ondernemer/werknemer of betrekking heeft op pijn en gederfde levensvreugde of strekt ter betering van eer en goede naam. Is de schadevergoeding toegekend voor geleden of te lijden bedrijfsschade of inkomensschade, dan is deze echter belast. Feiten en omstandigheden van het individuele geval zijn bepalend of en in welke mate een vergoeding belast is.
 
Rechtbank Haarlem heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een aan een voormalige statutair/medisch directeur toegekende schadevergoeding belast was. De werkgever had de directeur na een publicitaire storm over de hoogte van zijn salaris abrupt opzij gezet en bij de kantonrechter ontslag aangevraagd. De kantonrechter had het ontslagverzoek van de werkgever echter niet ingewilligd en was van oordeel dat de werkgever geen of onvoldoende blijk had gegeven van goed werkgeverschap. De werkgever had bij een afweging van de betrokken belangen ten onrechte de algemene kritiek van derden zonder meer laten prevaleren boven de eveneens gerechtvaardigde belangen van haar werknemer (directeur). Van een werkgever mag worden verwacht dat deze een publicitaire storm als in de onderhavige procedure trotseert en ten opzichte van de werknemer ook minder vergaande maatregelen dan beëindiging van het dienstverband overweegt.
 
De werkgever en de directeur kwamen in 2004 overeen dat de directeur formeel tot zijn pensionering in dienst zou blijven maar dat hij geen werkzaamheden meer zou verrichten. Bovendien ontving hij een immateriële schadevergoeding (vanwege aantasting van eer en goede naam) van  50.000. Vervolgens rees een geschil met de inspecteur over de belastbaarheid van de vergoeding. De inspecteur stelde dat de schadevergoeding zijn grond vond in de dienstbetrekking en daarom belast loon vormde.
 
Rechtbank Haarlem was van oordeel dat de schadevergoeding volledig onbelast was. De rechtbank onderschreef het oordeel van de kantonrechter en vond het aannemelijk dat sprake is geweest van negatieve publiciteit waarvan de directeur in zijn eer en goede naam is aangetast en dat hij dus immateriële schade heeft geleden. De rechtbank was van mening -en de inspecteur onderschreef die- dat de directeur door de publicaties mogelijk als  graaier werd gezien.
 
De inspecteur voerde diverse verweren aan voor zijn stelling dat de schadevergoeding belast zou zijn. De rechtbank vond deze niet steekhoudend gezien de door de kantonrechter vastgestelde feiten en zijn oordeel over het werkgeverschap. Verder wees de rechtbank erop dat de arbeidsovereenkomst niet was ontbonden en dat salaris en pensioenpremies werden doorbetaald. Daardoor kon de schadevergoeding geen betrekking hebben op derving van inkomsten of pensioenaanspraken uit de arbeidsovereenkomst.
 
De inspecteur stelde ten slotte nog dat het bedrag van  50.000 te hoog zou zijn om volledig als onbelaste immateriële schadevergoeding te kunnen worden aangemerkt. De rechtbank stelde vast dat oorspronkelijk  75.000 was geëist voor immateriële schade. Na mondeling overleg tussen de advocaten was een vergoeding van  50.000 overeengekomen. De rechtbank vond het niet aannemelijk dat dit bedrag in de gegeven omstandigheden ongebruikelijk of te hoog was.
 
Op basis van alle feiten en omstandigheden kwam de rechtbank tot het oordeel dat de overeengekomen schadevergoeding strekte tot verbetering van eer en goede naam van de directeur en niet haar grond vond in de dienstbetrekking. De volledige schadevergoeding was daardoor onbelast.
 
Bron: Rechtbank Haarlem, 10-11-2009, nr. 08/7150 (gepubliceerd 12-11-2009).

6 november 2009, Amstelveen

Persbericht - FVP-bijdrageregeling: géén verlenging m.i.v. 1 januari 2011

Amstelveen – Per 1 januari 2011 eindigt de instroom in de FVP-bijdrageregeling. Dit is op 13 oktober 2009 besloten in de bestuursvergadering van Stichting FVP. Belangrijkste reden voor dit besluit is het verwachte negatieve effect op de toekomstige vermogensontwikkeling van Stichting FVP.

In december 2008 besloot het bestuur nog de FVP-bijdrageregeling met een jaar te verlengen tot 1 januari 2011. Er vindt nu geen nieuwe verlenging plaats, hiermee komt de FVP-bijdrageregeling definitief ten einde. Dit betekent concreet dat werknemers van 40 jaar of ouder die op of na 1 januari 2011 WW-gerechtigd worden, niet meer in aanmerking komen voor een bijdrage op grond van de FVP-bijdrageregeling. Het bestuursbesluit is mede gebaseerd op de Macro Economische Verkenning 2010 van het Centraal Planbureau en het verwachte negatieve effect die de hierin gepresenteerde analyses en prognoses hebben op de toekomstige vermogensontwikkeling van Stichting FVP.

In verband met het feit dat thans onduidelijk is hoe het stichtingsvermogen zich zal ontwikkelen, heeft het bestuur reeds 7 juli 2009 besloten, als voorzorgsmaatregel tegen een eventueel vermogenstekort, de betalingen van de FVP-bijdrage van werknemers die in 2010 werkloos worden op te schorten tot uiterlijk 1 januari 2014 en mogelijk te korten. Werknemers die voor 1 januari 2010 werkloos zijn geworden, worden in principe niet door deze maatregel getroffen.

Actuele informatie
Stichting FVP zal de mede-uitvoerders Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de pensioenuitvoerders, De Nederlandsche Bank, de pensioenkoepels, de Stichting van de Arbeid, de sociale partners, de Vaste Commissie SZW, ministerie van SZW en alle overige direct belanghebbenden over het niet verlengen van de regeling informeren. Actuele ontwikkelingen worden gepubliceerd op de FVP-website

Over Stichting FVP
De middelen van Stichting FVP worden sinds 1989 gebruikt om de pensioenvoorzieningen voor werkloze werknemers vanaf veertig jaar voort te zetten. Hieraan zijn voor de begunstigden geen kosten verbonden. Het bestuur van Stichting FVP bestaat uit vertegenwoordigers van de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties. Kantoor FVP van de Sociale Verzekeringsbank voert de regeling uit

21 september 2009

Bancaire goudenhanddrukstamrechten

Het is de bedoeling dat met ingang van 2010 een goudenhanddrukstamrecht ook bij een bank kan worden bedongen. Met andere woorden, ‘banksparen’ wordt uitgebreid met de uitvoering van goudenhanddrukstamrechten.

Voorwaarden:
de stamrechtspaarrekening of het stamrechtbeleggingsrecht is geblokkeerd. Dat geldt ook voor de behaalde rendementen.
De termijnen van het bancaire goudenhanddrukstamrecht moeten met gelijke tussenpozen van ten hoogste één jaar worden uitgekeerd. Bij een verzekeraar geldt deze eis van ‘gelijkmatigheid’ wettelijk niet.
De omvang van de termijnen moet vergelijkbaar zijn met die van een verzekerd goudenhanddruk stamrecht. De eis dat de termijnen ‘vast’ moeten zijn – dat wil zeggen, qua hoogte gelijk (of hooguit geïndexeerd) – geldt niet voor verzekerde goudenhanddruk stamrechten en ook niet voor bancaire goudenhanddruk stamrechten.
De termijnen mogen, evenals bij verzekerde goudenhanddruk stamrechten, niet later ingaan dan in het jaar waarin de (gewezen) werknemer 65 jaar wordt.
Bij ministeriële regeling wordt vastgelegd wat de minimale duur is van de bancaire goudenhanddruk lijfrente. Voor verzekerde regelingen geldt hier het 1%-sterftekanscriterium. Omdat bancaire producten per definitie levensonafhankelijk zijn, zal de 1%-sterftekans mogelijk (gestaffeld?) worden benaderd.
Bij overlijden van de (gewezen) werknemer worden de uitkeringen gedaan aan de partner en/of kinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt. Als er bij een bancair goudenhanddruk stamrecht geen nabestaanden in voorgaande zin zijn, komen andere erfgenamen aan bod.

Onze verwachting is dat deze mogelijkheid vooral ten koste zal gaan van de verzekeringsoplossing. De stamrecht BV blijft zijn aantrekkelijkheid houden.

1 juli 2009

Maximering ontslagvergoeding bij salaris vanaf 75.000

DEN HAAG - Minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken) houdt vast aan zijn uitleg van het akkoord met werkgevers en vakbonden over aftopping van ontslagvergoedingen. De CDA-bewindsman schrijft donderdag in een brief aan de Tweede Kamer dat hij zijn wetsvoorstel over maximering van gouden handdrukken in overleg met sociale partners alleen heeft „verduidelijkt”.

Volgens het akkoord dat het kabinet, werkgevers en vakbonden in het najaar van 2008 hebben gesloten, wil Donner regelen dat mensen met een jaarinkomen vanaf 75.000 euro maximaal een jaarsalaris meekrijgen bij ontslag. Maar de Kamer had de minister in maart gevraagd opnieuw met sociale partners om tafel te gaan. De vakcentrales FNV en CNV klaagden dat Donner zich niet aan de afspraken hield en hun onderhandelingsvrijheid te veel inperkte.

Volgens Donner moeten rechters straks de maximale vergoeding toekennen, zoals die in de wet komt te staan. Dat geldt ook in de gevallen dat werkgevers en werknemers onderlinge afspraken hebben gemaakt over een hogere gouden handdruk. Dit stuitte de vakbeweging tegen de borst.

Maar werkgevers en Donner hebben altijd gezegd dat bij individuele afspraken over ontslag en sociale plannen voor reorganisaties er in principe geen rechter aan te pas komt en dus ook geen problemen worden verwacht. Wanneer toch een dergelijke zaak wordt voorgelegd aan de rechter kan de werknemer volgens de minister via een civiele procedure alsnog de hogere vergoeding vorderen. In de praktijk vindt volgens hem vaak tijdens dezelfde zitting zowel de ontslag- als de civiele zaak plaats „zodat een en ander snel kan worden kort gesloten”.

Het CNV is niet tevreden en hoopt dat de Tweede Kamer nog voor een ruimere regeling zorgt. De FNV is blij dat nu in ieder geval duidelijkheid is geschapen over de mogelijkheid van een civiele procedure.