Specialisten in Stamrecht BV’s

Veel gestelde vragen Centraal Aanspreekpunt Pensioenen belastingdienst

Nee. Uit de opname van stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten in het achtste lid van artikel 19b Wet LB (tekst 2013) kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om overdrachten tussen fiscaal toegelaten stamrechtverzekeraars en uitvoerders van stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten te laten vallen onder de toegestane, fiscaal geruisloze overdrachten van de tweede volzin van het tweede lid van artikel 19b Wet LB (tekst 2013).

Verder kan gewezen worden op de parlementaire behandeling van artikel 11a Wet LB. Daaruit blijkt dat is beoogd om zoveel mogelijk een gelijkschakeling te bewerkstelligen tussen producten als bedoeld in artikel 11a Wet LB (tekst 2013) en loonstamrechten ex artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013) (Kamerstukken II 2009/10, 32128, nr. 3, p. 39 t/m 40 en p. 59 t/m 61). In artikel 11a, eerste lid, laatste volzin, Wet LB (tekst 2013) is daartoe het vereiste van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, ten 2e, Wet LB (tekst 2013) buiten toepassing verklaard. Een redelijke wetsuitleg brengt dan met zich mee dat ook het omzetten van een loonstamrecht in een stamrechtspaarrekening of stamrechtbeleggingsrecht ex artikel 11a Wet LB (tekst 2013) kan plaatsvinden zonder dat daarbij een (fictieve) afkoop in aanmerking wordt genomen.

Let op
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f van de Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven. Artikel 39f, tweede lid, Wet LB (tekst 2015) maakt het (in afwijking van het eerste lid) mogelijk het stamrechtvermogen in gedeelten op te nemen. Deze gedeeltelijke opname van het stamrechtvermogen is toegestaan tot aan het moment waarop de stamrechttermijnen uiterlijk in moeten gaan. Daarna dient het stamrecht in termijnen in te gaan.

Nee. Een recht waarbij uitkeringen kunnen toekomen aan personen buiten de in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, ten eerste, Wet LB (tekst 2013) genoemde kring van begunstigden, valt niet onder de stamrechtvrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013).
Let op!
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 15van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Het stamrecht moet aansluiten bij de omstandigheden van het moment waarop de stamrechtovereenkomst is gesloten. Een alleenstaande werknemer, zonder kinderen kan dus alleen een stamrecht bedingen met zichzelf als begunstigde. Krijgt deze werknemer later alsnog een partner of kinderen, dan kan het stamrecht worden omgezet in een stamrecht waarbij de partner en/of de kinderen als begunstigden worden opgenomen.

Let op!
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 14van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013 + 2016), artikel 38n Wet op de loonbelasting 1964, artikel 38o Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 39f Wet op de loonbelasting 1964 Artikel 19b, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013 + 2016), artikel 38n, eerste, tweede en derde lid, Wet op de loonbelasting 1964, artikel 38o, tweede lid, Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 39f, eerste lid, Wet op de loonbelasting 1964 Afkoop pensioen in eigen beheer in combinatie met een in eigen beheer gehouden stamrecht (Vraag & Antwoord 17-001 d.d. 101117)

Inleiding
Op 1 april 2017 zijn de maatregelen van de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen in werking getreden (kamerstukken 34 555 en 34 662). Volgens het ingevoerde artikel 38n van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is het vanaf 1 april 2017 tot en met 31 december 2019 mogelijk om het volledige in eigen beheer verzekerde deel van de opgebouwde pensioenaanspraak af te kopen of om te zetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV). Op het moment van de afkoop of omzetting mag de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak fiscaal geruisloos worden prijsgegeven voor zover de waarde in het economische verkeer (WEV) van die aanspraak hoger is dan de fiscale balanswaarde van de tegenover die aanspraak staande pensioenverplichting. Ingeval van volledige afkoop van het in eigen beheer verzekerde pensioen, kan er volgens het eveneens op 1 april 2017 ingevoerde artikel 38o Wet LB een korting op de te belasten afkoopwaarde worden toegepast. De omvang van die afkoopkorting is onder meer afhankelijk van het moment waarop de afkoop plaatsvindt.

Vraag
Het opgebouwde pensioen van een dga is volledig in eigen beheer verzekerd. Naast de pensioenverplichting heeft de BV ook nog een loonstamrechtverplichting op grond van een met de dga gesloten loonstamrechtovereenkomst. De dga wil de opgebouwde, in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak op grond van artikel 38n Wet LB afkopen met toepassing van de afkoopkorting van artikel 38o Wet LB. De middelen van de BV zijn echter niet toereikend om zowel de pensioen- als de loonstamrechtverplichting volledig na te komen (onderdekking).
Op het (voorgenomen) afkoopmoment van het pensioen ziet de fiscale balans van de BV er als volgt uit:


Fiscale balans

Activa

Passiva

Bank

100

Eigen vermogen

-/- 100

 

 

Pensioen

50

 

 

Loonstamrecht

150

Totaal

100

Totaal

100


De WEV van het opgebouwde pensioen bedraagt 100. De WEV van het loonstamrecht is gelijk aan de fiscale balanswaarde ad 150.

Kan de dga in deze situatie het in eigen beheer verzekerde pensioen volledig afkopen zonder gevolgen voor de fiscale behandeling van het loonstamrecht?

Nee, in deze situatie is het niet mogelijk om het in eigen beheer verzekerde pensioen volledig af te kopen zonder bijkomende fiscale gevolgen voor het loonstamrecht.
Op basis van de jurisprudentie dienen, ingeval van meerdere verplichtingen en onderdekking, de beschikbare middelen van een BV naar evenredigheid te worden toegedeeld aan de verschillende verplichtingen (zie Hoge Raad 21 december 2012, nr. 11/05002, ECLI:NL:HR:2012:BY6925). De beschikbare middelen van de BV kunnen voor 40 (100/250 * 100) worden toegedeeld aan de dekking van de pensioenverplichting en voor 60 (150/250 * 100) aan de dekking van de verplichting voor het loonstamrecht.

De afkoopwaarde van het in eigen beheer verzekerde pensioen is gelijk aan de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting ad 50 (artikel 38o, tweede lid, Wet LB). De afkoop van het pensioen zou ten laste gaan van de dekking van het loonstamrecht. Na afkoop van het pensioen zou er voor het loonstamrecht immers nog maar een dekking resteren van 50. Voorafgaand aan de afkoop was er nog 60 beschikbaar voor de dekking van het loonstamrecht.

Indien de bezittingen van de BV meer dan evenredig worden gebruikt voor de afkoop van het pensioen wordt de dekking voor het loonstamrecht aangetast. Hierdoor is feitelijk sprake van afkoop dan wel prijsgeven van een deel van het loonstamrecht. Op grond van artikel 39f Wet LB en artikel 19b, eerste lid, Wet LB (tekst 2013) heeft dit tot gevolg dat de WEV van het loonstamrecht direct volledig in de heffing wordt betrokken. De conclusie is dan ook dat volledige afkoop van het in eigen beheer verzekerde pensioen als bedoeld in de artikelen 38n en 38o Wet LB in deze situatie niet mogelijk is zonder fiscale gevolgen voor het loonstamrecht.

Op grond van artikel 38n, eerste lid, Wet LB blijft voor de vóór 1 april 2017 in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraken onder meer artikel 19b Wet LB van toepassing zoals dat artikel luidde op 31 december 2016. Hierdoor is het fiscaal ook niet toegestaan om de pensioenaanspraken gedeeltelijk af te kopen. Bij een gedeeltelijke afkoop zal de WEV van de volledige opgebouwde pensioenaanspraak ineens tot het loon worden gerekend en zal de dga over die WEV revisierente zijn verschuldigd.

Indien het mogelijk is om het in eigen beheer verzekerde pensioen met toepassing van de artikelen 38n en 38o Wet LB volledig af te kopen zonder dat dit leidt tot een vermindering van de dekking van het loonstamrecht, is een volledige afkoop van het pensioen wel mogelijk zonder bijkomende fiscale gevolgen voor het loonstamrecht. Zolang de omvang van de naar evenredigheid aan het pensioen toe te delen beschikbare middelen gelijk is aan, of hoger is dan de fiscale balanswaarde van het pensioen, is afkoop van het pensioen veelal mogelijk omdat de dekking van de overige verplichtingen dan niet wordt aangetast.

Stel: In de situatie zoals omschreven in de vraag is de WEV van de pensioenverplichting 150. De WEV van de loonstamrechtverplichting is ook 150. Een evenredige verdeling van de bezittingen van de BV (in totaal 100) naar verhouding van de WEV van de verschillende verplichtingen betekent dat in die situatie 50 beschikbaar is voor de dekking van het pensioen en 50 voor de dekking van het stamrecht.

Volgens artikel 38n Wet LB mag de in eigen beheer verzekerde pensioenaanspraak ingeval van volledige afkoop worden prijsgegeven voor zover de WEV van die aanspraak hoger is dan de voor die aanspraak voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in aanmerking te nemen fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting ad 50. Op hetzelfde moment wordt de na het prijsgeven resterende pensioenaanspraak afgekocht op basis van de fiscale balanswaarde van de pensioenverplichting (50). In die situatie wordt het pensioen dus wel volledig afgekocht en kan voor de afkoop gebruik worden gemaakt van de afkoopkorting van artikel 38o Wet LB. Omdat de afkoop van het pensioen in die situatie niet leidt tot een verlaging van de dekking van het loonstamrecht, heeft de afkoop van pensioen dan geen gevolgen voor de fiscale behandeling van het loonstamrecht.

Ja. In een stamrechtovereenkomst van vóór 1 januari 1995, gebaseerd op artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (tekst 1994) hoeft geen uiterste ingangsdatum van de periodieke uitkeringen te zijn opgenomen. Bij een stamrechtovereenkomst van ná 1 januari 1995, waarop artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013) van toepassing is, moet de overeenkomst waarborgen dat de periodieke uitkeringen uiterlijk ingaan in het jaar waarin de werknemer de AOW-leeftijd bereikt, dan wel bij zijn eerdere overlijden.

Let op!
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 13van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Nee, een contraverzekering is niet aan te merken als een verzekering in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (tekst 2013). Wanneer de premie voor de contraverzekering uit het stamrechtkapitaal betaald wordt, vormt deze premie een belaste uitkering uit dit stamrecht.

Bij het afsluiten van de contraverzekering na de (uiterste) ingangsdatum van de periodieke uitkeringen, moet de stamrechtgenieter/ex-werknemer de premie voldoen uit privé middelen.

Let op:
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven. Op grond van artikel 39f, tweede lid, Wet LB is het (in afwijking van het eerste lid) met ingang van 2014 mogelijk het stamrechtvermogen in gedeelten op te nemen. Deze gedeeltelijke opname van het stamrechtvermogen is toegestaan tot aan het moment waarop de stamrechttermijnen uiterlijk in moeten gaan. Daarna dient het stamrecht in termijnen in te gaan.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 18van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Ja. De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 maart 1987, nr. 24 339, ECLI:NL:HR:1987:AW7743 beslist dat een stamrecht niet is vrijgesteld wanneer het stamrecht voorziet in andere opbrengsten dan uitsluitend periodieke uitkeringen. Dat houdt in dat de vrijstelling niet van toepassing is wanneer in de stamrechtovereenkomst een afkoopmogelijkheid is opgenomen.

Met ingang van 2014 is het fiscaal echter ook mogelijk om de waarde van een loonstamrecht geheel of gedeeltelijk op een eerder tijdstip uit te keren dan is bepaald in de artikelen 11 en 11a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) (tekst 2013) en de daarop gebaseerde bepalingen (afkoop). Deze mogelijkheid tot (gedeeltelijke) afkoop van een loonstamrecht is geregeld in artikel 39f, tweede lid, Wet LB. Het is fiscaal geen bezwaar wanneer een bestaande stamrechtovereenkomst wordt gewijzigd om daar de mogelijkheid van (gedeeltelijke) afkoop in op te nemen. Deze wijziging van de stamrechtovereenkomst kan zowel vóór als na de ingangsdatum van de uitkeringen van het loonstamrecht plaatsvinden.
De mogelijkheid om de waarde van een loonstamrecht geheel of gedeeltelijk op een eerder tijdstip uit te keren doet overigens niet af aan het wettelijke vereiste dat het loonstamrecht in termijnen uitgekeerd moet worden. Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013) schrijft voor dat het stamrecht moet voorzien in periodieke uitkeringen en artikel 11a Wet LB (tekst 2013) bepaalt dat het tegoed van de stamrechtspaarrekening of de waarde van het stamrechtbeleggingsrecht alleen kan worden gebruikt voor de aankoop van een aanspraak op periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013) dan wel kan worden uitgekeerd in termijnen. Artikel 39f, tweede lid, Wet LB geeft alleen de mogelijkheid om af te wijken van de wettelijk voorgeschreven periodieke uitkeringen of termijnen door de waarde van het loonstamrecht geheel of gedeeltelijk op een eerder moment uit te keren.

Bij een gedeeltelijke afkoop na de uiterste wettelijke ingangsdatum van het loonstamrecht, moet de na de afkoop resterende waarde van het loonstamrecht direct in aansluiting op de afkoop worden uitgekeerd in een reeks van periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013) dan wel voor een stamrechtspaarrekening of een stamrechtbeleggingsrecht in termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar als bedoeld in artikel 11a Wet LB (tekst 2013).

Let op!
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 2van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Artikel 39f Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013)
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013)
Stamrechtovereenkomst - Bepalen sterftekans periodieke uitkering op twee levens (Vraag & Antwoord 08-021 d.d. 101117)

Vraag: Aan werknemer (A) is op 1 januari 2012 een stamrecht ter vervanging van gederfd of te derven loon toegekend. Het stamrecht voorziet in een op 1 januari 2012 direct ingaande, tijdelijke periodieke uitkering welke afhankelijk is van het leven van A en van het leven van zijn partner B. Deze afhankelijkheid van twee levens pleegt op twee manieren in de stamrechtovereenkomst te zijn geregeld:

1. De termijnen eindigen op een vastgestelde datum, bijvoorbeeld 1 januari 2022, of bij het eerder overlijden van de verzekerden A en B.

2. Er worden twee periodieke uitkeringen bedongen. De eerste eindigt op een vastgestelde datum, bijvoorbeeld 1 januari 2022, of bij het eerder overlijden van verzekerde A. De tweede, welke toekomt aan verzekerde B, gaat in bij het overlijden van verzekerde A voor 1 januari 2022 en eindigt op 1 januari 2022 of bij het eerder overlijden van verzekerde B.

Van een periodieke uitkering is pas sprake wanneer alle afzonderlijke termijnen afhankelijk zijn van een onzekere gebeurtenis. In het voorbeeld is de sterftekans de onzekere gebeurtenis; voorwaarde is dan wel dat sprake is van een sterftekans van minimaal 0,94%. Wanneer de sterftekans kleiner is, is geen sprake meer van een onzekere gebeurtenis.

Hoe moet in beide hiervoor genoemde voorbeelden de sterftekans worden bepaald?

In beide gevallen bestaat het toegekende loonstamrecht uit twee periodieke uitkeringen. Eén die toekomt aan A en één die toekomt aan B. Beide periodieke uitkeringen moeten afhankelijk zijn van een sterftekans van minimaal 0,94%. De sterftekans dient voor beide periodieke uitkeringen te worden bepaald over de periode van 1 januari 2012 tot 1 januari 2022, uitgaande van de meest recente overlevingstafels. Dat de periodieke uitkering die toekomt aan de partner pas ingaat bij het overlijden van A kan voor de bepaling van de sterftekans buiten beschouwing blijven.

Let op!
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Op grond van artikel 39f, tweede lid, Wet LB is het (in afwijking van het eerste lid) met ingang van 1 januari 2014 mogelijk om de waarde van het loonstamrecht geheel of gedeeltelijk op een eerder tijdstip uit te keren dan is bepaald in de artikelen 11 en 11a Wet LB (tekst 2013) en de daarop gebaseerde bepalingen (afkoop). Bij een gedeeltelijke afkoop na de uiterste wettelijke ingangsdatum van het loonstamrecht, moet de na de afkoop resterende waarde van het loonstamrecht direct in aansluiting op de afkoop worden uitgekeerd in een reeks van periodieke uitkeringen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013) dan wel voor een stamrechtspaarrekening of een stamrechtbeleggingsrecht in termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar als bedoeld in artikel 11a Wet LB (tekst 2013).

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 4van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Ja.
Let op!
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 20van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Nee. Wel is het zakelijke karakter van de transacties door een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, Wet LB (tekst 2013) een belangrijk aandachtspunt. In het bijzonder wanneer de verzekeraar transacties aangaat met (familieleden van) een aandeelhouder of stamrechtgerechtigde(n). Voorkomen moet worden dat deze transacties er toe leiden dat het stamrecht feitelijk wordt genoten.

Let op!
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 21van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Voor de invulling van het begrip redelijke termijn na de overeengekomen expiratie- of deblokkeringsdatum bij ingang van de uitkeringen van een pensioen of een stamrecht is het nodig een onderscheid te maken naar de situatie bij leven en de situatie bij overlijden.

Uitkering bij leven

Als de eerste gerechtigde tot de uitkeringen uit het pensioen of het stamrecht op de expiratie- of deblokkeringsdatum nog in leven is, kan in alle gevallen een termijn van zes maanden na de overeengekomen expiratie- of deblokkeringsdatum als redelijk worden aangemerkt. Ten aanzien van pensioenpolissen, moet hierop de volgende nuancering worden aangebracht.

In de tussen werkgever en werknemer gesloten pensioenovereenkomst zal met inachtneming van artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) een standaard ingangsdatum van de pensioenuitkeringen zijn opgenomen. De feitelijke ingangsdatum van het pensioen kan afwijken van de expiratiedatum van de onderliggende pensioenpolis. Dit zal zich bijvoorbeeld voordoen in de situatie dat de ingangsdatum van de pensioenuitkeringen wordt uitgesteld. Uitstel is mogelijk tot uiterlijk het tijdstip waarop de (gewezen) werknemer de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de voor de hem/haar geldende AOW-leeftijd (artikel 18a, vierde lid, Wet LB). Bij uitgestelde ingang van de pensioenuitkeringen zal de expiratiedatum van de eerder gesloten pensioenpolis vóór de uitgestelde pensioeningangsdatum liggen. Indien de periode tussen de expiratiedatum van de pensioenpolis en de uitgestelde pensioeningangsdatum langer is dan zes maanden wordt de hiervoor genoemde redelijke termijn van zes maanden vervangen door de periode tussen de expiratiedatum van de pensioenpolis en de uitgestelde pensioeningangsdatum.

Uitkering voor nabestaanden

Als de expiratie of de deblokkering het gevolg is van het overlijden van de eerste gerechtigde tot de uitkeringen uit het pensioen of het stamrecht, kan in alle gevallen een termijn van 12 maanden na de expiratie- of deblokkeringsdatum redelijk worden genoemd.
In de situatie waarin het niet mogelijk is om de uitkeringen in te laten gaan binnen één van de hierboven gestelde termijnen, zal de gerechtigde tot het pensioen, het stamrecht, de stamrechtspaarrekening of het stamrechtbeleggingsrecht tegenover de inspecteur aannemelijk moeten maken dat in zijn geval de redelijke termijn nog niet is verstreken.

Nadere toelichting

  • Voor alle duidelijkheid zij hier vermeld dat de bovenstaande termijnen ertoe kunnen leiden dat het pensioen of het stamrecht later ingaat dan de uiterste ingangsdatum die de Wet LB voor de betreffende uitkering toestaat. Hieraan zijn geen fiscale gevolgen verbonden.
  • De bovenstaande termijnen gelden in geval van een overeengekomen pensioen of stamrecht alleen in die gevallen waarin de hoogte van de uitkering niet reeds van tevoren vaststaat. De termijnen gelden derhalve niet bij eindloon- of middelloonpensioenen dan wel pensioenen uit een beschikbare-premieregeling waar de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering. De termijnen gelden evenmin bij stamrechten waarbij de hoogte van de uitkeringen al in de stamrechtovereenkomst is overeengekomen.
  • De bovenstaande termijnen gelden altijd bij stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten, ook als (uiteindelijk) geen stamrecht wordt aangekocht. De reden hiervoor is dat belanghebbenden de termijn kunnen gebruiken om aan de hand van offertes voor een stamrecht te kunnen beslissen of zij een dergelijk stamrecht willen aankopen of dat zij kiezen voor de uitkering van een som in termijnen (artikel 11a, derde en vierde lid, Wet LB (tekst 2013)).
  • De bovenstaande termijnen gelden niet als artikel 11a, vijfde lid, Wet LB (tekst 2013), van toepassing is.

Let op
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven. Artikel 39f, tweede lid, Wet LB (tekst 2015) maakt het (in afwijking van het eerste lid) mogelijk het stamrechtvermogen in gedeelten op te nemen. Deze gedeeltelijke opname van het stamrechtvermogen is toegestaan tot aan het moment waarop de stamrechttermijnen uiterlijk in moeten gaan. Daarna dient het stamrecht in termijnen in te gaan.

Artikel 39f Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013)
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013)
Uitkeringsperiode periodieke uitkeringen uit een stamrecht (Vraag & Antwoord 13-007 d.d. 271017)

Vraag: Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven. Artikel 39f, tweede lid, Wet LB (tekst 2015) maakt het (in afwijking van het eerste lid) mogelijk het stamrechtvermogen in gedeelten op te nemen. Deze gedeeltelijke opname van het stamrechtvermogen is toegestaan tot aan het moment waarop de stamrechttermijnen uiterlijk in moeten gaan. Daarna dient het stamrecht in termijnen in te gaan.

Een natuurlijk persoon koopt op de uiterste datum een stamrecht in termijnen aan. Hij is geen kind of pleegkind in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, 1º, Wet LB (tekst 2013). Welke uitkeringsperiode moet een stamrecht in termijnen op het leven van deze persoon minimaal hebben tussen de eerste en de laatste uitkering?

De minimale uitkeringsperiode van een stamrecht hangt af van de leeftijd van deze stamrechtgerechtigde op het moment van het ingaan van de uitkeringen. Om te weten hoe lang deze periode minimaal moet zijn, kunnen de stamrechtdebiteur en de stamrechtgerechtigde de tabel gebruiken van artikel 3.4, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB) (tekst 2013).

Toelichting:

Volgens de definitie van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013) moet de uitkering uit het stamrecht een periodieke uitkering zijn. De uitkeringsperiode van een dergelijke uitkering pleegt afhankelijk te zijn van het leven van de uitkeringsgerechtigde. De lengte van de uitkeringsperiode is daardoor onzeker. Er moet echter wel voldoende onzekerheid zijn over die periode. De verzekeraar van het stamrecht moet voldoende kans hebben op voordeel als gevolg van het overlijden van de stamrechtgerechtigde.
De Hoge Raad heeft bepaald dat een periodieke uitkering aan iemand die op het ingangsmoment van de uitkering een sterftekans heeft van ongeveer 1% (exact: 0,94%) voldoende onzekerheid biedt om te kunnen spreken van een periodieke uitkering in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013). Zie Hoge Raad, 30 oktober 1991, nr. 27 215 (ECLI:NL:HR:1991:ZC4756). Op grond van dit arrest kan een tabel worden gemaakt van minimaal vereiste uitkeringsperioden tussen de eerste en de laatste uitkering, behorende bij elke leeftijd bij ingang van het stamrecht.

Voor uitkeringen in termijnen afkomstig van stamrechtspaarrekeningen of stamrechtbeleggingsrechten is een dergelijke tabel van minimale perioden tussen de eerste en de laatste uitkering opgenomen in artikel 3.4, eerste lid, URLB (tekst 2013). Deze tabel is opgesteld met analoge toepassing van het bovengenoemde arrest voor uitkeringen in termijnen. Het ligt voor de hand om voor de periodieke uitkeringen uit een stamrecht dezelfde tabel te hanteren als veilig uitgangspunt voor de sterftekans. Een redelijke wetsuitleg brengt daarom met zich mee dat een voorziene uitkeringsperiode van een stamrecht die in overeenstemming is met de tabel van artikel 3.4, eerste lid, URLB (tekst 2013), altijd geacht wordt een sterftekans van tenminste 0,94% op te leveren.

Ja. Stamrechten als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) zoals die op 31 december 2013 luidden, kunnen op grond van het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel 39f Wet LB worden vervangen door een ander kwalificerend stamrecht. De eerbiedigende werking van artikel 37 Wet LB (tekst 2013) geldt echter alleen voor op 31 december 1994 bestaande stamrechten. Door de omzetting vervalt deze eerbiedigende werking. De vervangende stamrechten moeten dan ook voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB zoals dat artikel luidde op 31 december 2013.

Let op!
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 23van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Nee. Op grond van artikel 37 Wet LB (tekst 2013) zijn de voorwaarden van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1° en 2°, Wet LB (tekst 2013) niet van toepassing met betrekking tot op 31 december 1994 bestaande stamrechten. Voor deze stamrechten blijven de op 31 december 1994 geldende regels van kracht. In artikel 11, eerste lid, onderdeel d, Wet LB (tekst 1994) zijn geen voorwaarden genoemd met betrekking tot de personen die als begunstigden voor de periodieke uitkering kunnen worden aangewezen.

Op grond van artikel 39f Wet LB blijft het voorgaande van toepassing met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande stamrechten.

Let op!
Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 17van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Nee. Ingevolge het bepaalde in artikel 19b, derde lid, Wet LB, in samenhang met artikel 19b, achtste lid, Wet LB (tekst 2013), leidt de vervreemding of omzetting van een stamrecht in het kader van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of beëindiging van de samenleving niet tot belastingheffing. Voor de heffing van loonbelasting wordt er vanuit gegaan dat geen nieuw recht is ontstaan, maar dat het aan de (ex-) echtgenoot/partner toegedeelde deel een voortzetting is van het recht zoals dat eerder aan de werknemer is toegekend. Als gevolg hiervan wordt de (ex-) echtgenoot/partner na de verdeling van het stamrecht voor het aan hem toegedeelde deel aangemerkt als ‘de werknemer’.

Let op!

Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 24van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Omzetting

Ja, de (gewezen) werknemer kan ook een reeds ingegaan stamrecht fiscaal geruisloos omzetten in een nieuw stamrecht met bijvoorbeeld een andere omvang van de termijnen, een andere looptijd of een andere begunstiging. Hierbij geldt dezelfde voorwaarde die in de vraag is vermeld, te weten dat het nieuwe stamrecht voldoet aan de voorwaarden van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013). Zo kan bijvoorbeeld een ex-werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) heeft bereikt een ingegaan stamrecht niet meer omzetten in een uitgesteld stamrecht dat ingaat na het jaar waarin deze leeftijd wordt bereikt. Het nieuwe stamrecht kan dan immers niet meer uiterlijk ingaan in het jaar waarin de gerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, AOW bereikt, zoals het bedoelde artikel vereist.

Nabestaanden

Voor nabestaanden die ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013) op grond van het overlijden van de ex-werknemer gerechtigd worden tot de uitkeringen uit het stamrecht geldt het volgende. Het stamrecht dient bij het overlijden van de ex-werknemer in te gaan. De nabestaande kan dit stamrecht daarom niet omzetten in een uitgesteld stamrecht. Het feit dat de nabestaande op grond van bestaand beleid enige tijd krijgt om de aankoop van het stamrecht te regelen doet hier niet aan af. Zie V&A 10-001.

Wijzigen of afzien door nabestaanden

Voorts kan de nabestaande niet zonder fiscale gevolgen de begunstiging van het stamrecht wijzigen of afzien van de stamrechtuitkeringen. Alleen de ex-werknemer zelf kon in zijn hoedanigheid van verzekeringnemer bij leven de omvang van de rechten van de nabestaanden aanpassen. Vindt toch een wijziging plaats in de (omvang van de) begunstiging dan is hetzij artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, hetzij artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, Wet LB van toepassing bij de nabestaande. De stamrechtaanspraak wordt dan belast naar de waarde in het economische verkeer.

Andere verzekeraar

Het voorgaande geldt ook bij de overgang van de stamrechtverplichting op een andere verzekeraar als bedoeld in artikel 19b, tweede lid, Wet LB, in samenhang met artikel 19b, achtste lid, Wet LB.

Stamrechtknip

Een bijzondere vorm van omzetten is knippen. Vóór het uiterste tijdstip van ingang uit artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet LB (tekst 2013), mag een stamrecht in twee delen worden geknipt, bijvoorbeeld in een deel dat loopt tot het tijdstip waarop de (gewezen) werknemer de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, AOW bereikt en een deel dat ingaat op het moment van het bereiken van deze leeftijd. De omvang en de looptijd van de termijnen van het tweede deel behoeven dan niet vast te staan op het moment van ingang van het eerste deel. De termijnen van het eerste deel mogen variëren maar moeten op het moment van ingang van dat deel wel vaststaan. Zie ook V&A 08-020.
Knippen na de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, AOW
Vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, AOW kan niet meer worden geknipt omdat een stamrecht en dus ook een afgeknipt deel daarvan niet mag ingaan na het jaar waarin de gerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, AOW bereikt. Bij ingang van (een deel van) het stamrecht wegens het bereiken van deze leeftijd moeten alle termijnen van het stamrecht in omvang en looptijd vaststaan. Dat stamrecht mag daarna wel worden gewijzigd (omgezet) zoals beschreven in de eerste alinea.

Stamrechtbanksparen of -beleggen

Waar in dit V&A wordt gesproken over stamrechten, dienen daaronder mede te worden begrepen: stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten in de zin van artikel 11a Wet LB.

Nee, artikel 19a, tweede lid, Wet LB (tekst 2013) is alleen van toepassing als het gaat om het verzekeren van een pensioen.

Let op!

Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37 Wet LB zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37 Wet LB, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 19van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

Artikel 39f Wet op de loonbelasting 1964, artikel 11 Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013) en artikel 11a Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013)
Artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013) en artikel 11a, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2013)
Stamrechtovereenkomst - Variabele termijnen (Vraag & Antwoord 08-020 d.d. 261017)

Vraag: Met ingang van 1 januari 2014 kunnen geen nieuwe loonstamrechten meer ontstaan. Onder een loonstamrecht wordt verstaan een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, Wet LB zoals dat op 31 december 2013 luidde. Het overgangsrecht voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten is opgenomen in artikel 39f Wet LB. Artikel 39f, eerste lid, Wet LB bepaalt dat voor op 31 december 2013 bestaande loonstamrechten de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing blijven. Artikel 39f, tweede lid, Wet LB (tekst 2015) maakt het (in afwijking van het eerste lid ) mogelijk het stamrechtvermogen in gedeelten op te nemen. Deze gedeeltelijke opname van het stamrechtvermogen is toegestaan tot aan het moment waarop de stamrechttermijnen uiterlijk in moeten gaan. Daarna dient het stamrecht in termijnen in te gaan.

Mogen de termijnen uit een stamrecht in hoogte variëren?

Ja, dat mag maar dan wel met van tevoren bepaalde, vaststaande bedragen.

De termijnen uit een stamrecht moeten periodieke uitkeringen zijn, er hoeft geen sprake te zijn van een lijfrente. Om van een periodieke uitkering te kunnen spreken hoeven de termijnen, anders dan bij een lijfrente, niet over de gehele periode vast en gelijkmatig te zijn. Het ontmoet dan ook geen bezwaar wanneer bij het ingaan van de termijnen wordt bepaald dat de termijnen zullen variëren, bijvoorbeeld vanwege te verwachten sociale uitkeringen of andere te verwachten inkomsten. Deze wijziging van de termijnen dient wel bij het ingaan van de termijnen te zijn vastgesteld. Men kan bijvoorbeeld in de stamrechtovereenkomst opnemen dat de termijnen de eerste 3 jaren € 6.000 bedragen en dat dit bedrag na 3 jaar omhoog gaat naar € 11.000 per jaar in verband met het wegvallen van het recht op een WW-uitkering of andere inkomsten.

Een uitkering waarvan de hoogte jaarlijks afhankelijk is van een onzekere sociale uitkering of andere onzekere inkomensbron is geen periodieke uitkering. Het stamrecht mag niet dat onzekere overige inkomen aanvullen tot een vooraf vastgesteld bedrag. Fiscaal is dus bijvoorbeeld niet toegestaan om een periodieke uitkering overeen te komen die het overige inkomen aanvult tot € 50.000 per jaar.

Het bovenstaande geldt op grond van artikel 11a, derde lid, Wet LB (tekst 2013) ook voor termijnen die worden uitgekeerd uit een tegoed van een stamrechtspaarrekening dan wel uit de waarde van een stamrechtbeleggingsrecht.

Een Vraag en Antwoord van vergelijkbare strekking was eerder opgenomen in onderdeel 3van het vervallen besluit CPP2002/896M (besluit van 27 november 2002).

INFORMATIEF FISCAAL ADVIESGESPREK

Klik hier voor een informatief fiscaal adviesgesprek